Het Gouden Schild van Fiedelmien
Een prachtige stadsduif bewoont het ventilatietorentje hoog boven de flat. Elke ochtend brengt een vriendelijke buurman vers brood. Soms neemt hij haar mee naar beneden voor een groepsduik in het park. Haar leefwereld breidt zich uit naar een studentenkamer met balkon. Daar staat een bakje water klaar om te drinken en te baden. Tijdens zachte zomeravonden strijkt zij gracieus neer op de balkonreling. Vertrouwen groeit door zachte woorden. Op een dag kiest zij een uitgestrekte arm als landingsplaats. Haar oogjes knijpen zachtjes dicht. Een liefdevol, zacht pluisbolletje doet een dutje. Haar lichaam gloeit van pure levensenergie. Haar naam luidt Fiedelmien.
Haar reizen gaan vaak naar de overkant van de weg. Zij zit daar op de dakgoot boven de voordeur van een moeder. Elke ontmoeting brengt een vrolijke groet. Duiven bereiken gemiddeld een gezegende leeftijd van 18 tot 20 jaar. Op een dag slaat het noodlot bijna toe. Een auto rijdt met zestig kilometer per uur over de drukke weg. Remmen is onmogelijk door het achteropkomende verkeer. Fiedelmien zit midden op het asfalt. De auto raast over haar heen. Er is nog geen twee meter afstand tussen haar en de autobodem.
In een flits ontstaat er een diepe hartekreet naar het universum. Een visualisatie van een liefdevolle bubbel verschijnt. Een gouden ei van pure bescherming omhult haar. De auto passeert. Het voelt als een grote nachtmerrie. De auto rijdt door. De weg is leeg. Fiedelmien is nergens te zien. Ogen zoeken de grond af in angst voor een verschrikkelijk beeld. Maar de onzichtbare draden van het universum werken feilloos. Fiedelmien verschijnt plotseling heelhuidends aan de achterkant van de auto. Zij vliegt rakelings voor de achterliggende auto langs. Zij landt direct op haar veilige dakgoot. Geen enkel schrammetje ontsiert haar verendek. De wielen en het autoframe hebben haar met geen millimeter geraakt. Een beschermengel waakt over haar.
Kort daarna zit zij weer gezellig op de balkonreling. De ochtendzon schijnt. Enkele weken later toont zij trots haar prachtige, pas opgevlogen jongen. Zij vliegen samen terug naar het vertrouwde torentje. Later slaat het lot opnieuw toe. Fiedelmien raakt bekneld in een touw met beide poten. Haar pootjes staan scheef naar binnen getrokken. Zij knikkebolt van de felle pijn. De drang naar hulp brengt haar fladderend naar de reling van het balkon. Haar angst verdwijnt voor de noodzaak van redding. Het touw laat zich gewillig doorknippen. De knoop zat er nog maar net. Haar pootjes zijn gered van een naderende dood.
De tijd verstrijkt en de flat wordt verlaten. Ruim een jaar na het overlijden van moeder kruist het pad de oude straat weer voor een boodschap. Onverwacht landt er een duif recht voor de voeten. Zij kijkt met een loepzuivere, herkenbare blik omhoog. Fiedelmien is er nog. De energetische band tussen mens en dier overwint elke afstand en tijd.